Wildplukken mag in Nederland niet overal en niet zomaar. Deze gids legt uit wat de wet echt zegt, waar je wel en niet plukt, welke giftige planten op eetbare lijken, wat er per seizoen te halen valt en hoe je bewaart wat je meeneemt.
Je loopt langs een bosrand en er staat een veld daslook. Genoeg voor een jaar pesto, en niemand te zien. Mag dat zomaar? Kort antwoord: er bestaat geen wet die wildplukken verbiedt, maar er bestaat ook geen recht om overal te plukken. De grond waar die daslook staat is van iemand, en die eigenaar bepaalt. Staatsbosbeheer staat kleine hoeveelheden voor eigen gebruik toe, Natuurmonumenten verbiedt het, gemeenten hebben hun eigen regels en beschermde soorten zijn overal verboden. Je begint dus met twee vragen: van wie is deze grond, en weet ik honderd procent zeker wat ik in mijn hand heb. Pas als beide antwoorden helder zijn, gaat het mandje open.
Wat is wildplukken precies?
Wildplukken is eten halen dat niemand heeft gezaaid. Brandnetels langs een bosrand, bramen in een houtwal, vlierbloesem in een berm, hazelnoten in een parkbos. Het verschil met een moestuin is niet de smaak maar de bedoeling: deze planten staan er uit zichzelf, en jij bent niet de enige die ervan eet. In het Engels heet het foraging, in het Nederlands hoor je ook wel struinvoedsel of plukwandelen.
Het is geen nieuwe hobby. Tot ver in de twintigste eeuw was het gewoon om in het najaar bramen, vlierbessen en beukennootjes te halen, en in het voorjaar de eerste brandnetels en zuring. Je oma deed het waarschijnlijk zonder er een woord voor te hebben. Wat wel nieuw is, is de schaal. Er lopen inmiddels genoeg mensen met een mandje door hetzelfde bos om terreinbeheerders zenuwachtig te maken, en dat verklaart een groot deel van de regels die je hieronder tegenkomt.
Waarom doen mensen het? De redenen lopen uiteen, en meestal is het een combinatie.
Smaak. Veel wilde soorten smaken uitgesprokener dan hun gekweekte tegenhangers. Een wilde framboos is kleiner maar aromatischer, veldzuring is scherper dan tuinzuring.
Seizoen. Je eet noodgedwongen wat er nu is. Dat maakt het jaar zichtbaar op een manier die een supermarkt niet doet.
Kennis. Je gaat anders kijken. Na een seizoen herken je twintig soorten die je daarvoor over het hoofd zag.
Gratis en lokaal. Geen verpakking, geen transport, geen bespuiting.
Buiten zijn met een doel. Een wandeling met een opdracht voelt anders dan een rondje om het rondje.
Is wildplukken legaal in Nederland?
Er bestaat in Nederland geen wet met het woord wildplukken erin. Wat er wel is, zijn drie lagen regels die er samen over gaan: het eigendomsrecht en het strafrecht, de soortenbescherming in de Omgevingswet, en de huisregels van de terreineigenaar plus de gemeentelijke verordening. In de praktijk betekent dat: formeel mag je vrijwel nergens zomaar plukken, en in de praktijk wordt een handjevol voor eigen gebruik op veel plekken oogluikend toegestaan. Dat verschil tussen "wat mag" en "wat gebeurt" is precies waar de meeste verwarring vandaan komt.
Van wie is de plant die je plukt?
Van de eigenaar van de grond. Een braam in een bos van Staatsbosbeheer is eigendom van Staatsbosbeheer, een appel in een gemeenteplantsoen is van de gemeente. Neem je die zonder toestemming mee, dan is dat juridisch gezien wegnemen van andermans goed. Voor gewassen die nog te velde staan of nog niet zijn ingezameld heeft het Wetboek van Strafrecht een apart artikel: artikel 314, stroperij. Dat stelt straf op het zonder geweld wegnemen van onder meer hout, gras, riet, zand, klei en te velde staande vruchten en gewassen, met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen. De strafmaat is gevangenisstraf van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie, sinds 1 januari 2026 maximaal 5.500 euro. Bij herhaling binnen twee jaar wordt de celstraf maximaal twee maanden. Zie artikel 314 Sr op wetboek.org.
Stroperij is de lichtere variant van diefstal. Diefstal zelf staat in artikel 310 Sr en kent een maximum van vier jaar of een geldboete van de vierde categorie, 27.500 euro. In de praktijk komt geen bramenplukker voor de rechter, maar het verklaart wel waarom terreinbeheerders zo stellig kunnen zijn als ze willen. De bedragen achter de categorieen staan in artikel 23 Sr en worden elke twee jaar geindexeerd; per 1 januari 2026 zijn ze 550, 5.500, 11.000, 27.500, 110.000 en 1.100.000 euro. Kom je ergens het bedrag van 4.100 euro tegen voor de tweede categorie, dan lees je een verouderd bericht. Zie het Besluit van 26 november 2025 waarin die bedragen zijn vastgesteld.
Wat zegt artikel 461 over verboden toegang?
Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 461 Wetboek van Strafrecht
Dit artikel gaat niet over plukken maar over ergens zijn. Het is het bordje "verboden toegang, art. 461 Sr" dat je overal in het buitengebied ziet hangen, en het staat op een geldboete van de eerste categorie, sinds 1 januari 2026 maximaal 550 euro. De kern zit in de woorden "op een voor hem blijkbare wijze": de eigenaar moet het toegangsverbod zichtbaar hebben gemaakt, met een bord, een hek of een afzetting. Staat er niets, dan overtreed je artikel 461 niet door er te lopen. Staat er wel een bord, dan is de discussie over plukken meteen klaar, want je hoort er niet eens te zijn. Voor wildplukkers is dit dus vooral de eerste horde: kom je hier legaal, ja of nee.
Welke planten mag je van de wet nooit plukken?
Beschermde soorten. Sinds 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De soortenbescherming staat nu in het Besluit activiteiten leefomgeving, waar onder meer artikel 11.54 het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied verbiedt. Van de ongeveer 36.000 wilde plant- en diersoorten in Nederland vallen er zo'n 500 onder die bescherming. Wil je weten of een soort erbij zit, kijk dan in het Nederlands Soortenregister van Naturalis of op de pagina's van het Informatiepunt Leefomgeving.
Praktisch gezien loop je hier zelden tegenaan, want de meeste beschermde planten zijn zeldzaam en niet interessant om te eten. Maar het werkt ook andersom: juist omdat ze zeldzaam zijn, kom je ze weinig tegen en herken je ze niet. Zeldzaamheid is dus een reden op zich om iets te laten staan. Zie je maar een paar exemplaren van een soort op een plek, dan pluk je daar niet, ongeacht wat de wet ervan vindt. Op verspreidingsatlas.nl van FLORON zie je per soort hoe algemeen die in Nederland is.
Wat mag er bij Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de provinciale landschappen?
Dit is het verschil dat de meeste mensen niet kennen: de grote terreinbeheerders voeren geen gezamenlijk beleid. Wat in het ene bos gedoogd wordt, levert in het bos ernaast een boete op. Onderstaande tabel geeft de stand van zaken zoals de organisaties die zelf op hun site publiceren.
Terreineigenaar
Wildplukken toegestaan?
Wat zij zelf zeggen
Staatsbosbeheer
Ja, kleinschalig en voor eigen gebruik
Richtlijn is ongeveer een champignonbakje van 250 gram per persoon; op eigen risico; grootschalig of commercieel plukken geldt als diefstal of beschadiging
Natuurmonumenten
Nee
Wildpluk is in hun gebieden niet toegestaan; je riskeert een boete
Utrechts Landschap
Nee voor plukken, beperkt ja voor rapen
Paddenstoelen plukken is verboden en strafbaar; losse dennenappels, eikels en kastanjes op of langs het pad in kleine hoeveelheden mag
Overige provinciale landschappen
Wisselend
Elk landschap heeft eigen toegangsregels; check de pagina toegangsregels van dat specifieke landschap
Gemeenten
Wisselend, vaak verboden
Veel gemeenten verbieden in hun APV het beschadigen van of wegnemen uit openbaar groen
Waterschappen, ProRail, Rijkswaterstaat
Meestal niet bedoeld voor publiek
Dijken, spoortaluds en wegbermen kennen eigen regels en soms betredingsverboden
Staatsbosbeheer is dus de ruimhartigste van de grote drie. Zij verwijzen op hun eigen pagina bovendien naar de wildplukcode van de KNNV, de vereniging voor veldbiologie, en scharen zich daarmee achter een gedragslijn in plaats van een kaal verbod. Tegelijk zijn ze uitgesproken over paddenstoelen: die pluk stimuleren ze niet, omdat sommige gemeenten het via de APV verbieden en omdat het onderscheid tussen eetbaar en giftig lastig is.
Wildpluk in de gebieden van Natuurmonumenten is niet toegestaan. Doe je het toch dan riskeer je een boete. Paddenstoelen, bloemen, planten, vruchten, zaden en noten zijn voor veel dieren een bron van voedsel.
Natuurmonumenten, pagina Wildpluk
Wat betekent "handje voor de mond" in de praktijk?
"Handje voor de mond" is geen juridische term maar een vuistregel die je in wildplukkringen en bij sommige boswachters hoort: wat in je hand past en direct opgaat, is geen probleem. Een paar bramen onderweg, drie blaadjes zuring, een handvol hazelnoten. Zodra je met een emmer, een schaar of een plan verschijnt, verandert het karakter van wat je doet en dus ook de reactie van de beheerder. Het is een gedoogpraktijk, geen recht. Dat betekent dat een boswachter die je aanspreekt gelijk heeft, ook als je vorige week op dezelfde plek niets hoorde. Reageer dan gewoon netjes, leg uit wat je doet, en accepteer het als het antwoord nee is.
Wat geldt er op gemeentegrond?
Gemeenten regelen het openbaar groen in hun Algemene Plaatselijke Verordening. Veel APV's bevatten een bepaling die het verbiedt om bomen, struiken of planten in openbaar groen te beschadigen of delen ervan mee te nemen. Sommige gemeenten hebben juist een tegenovergesteld beleid en planten bewust eetbaar groen aan, met bordjes erbij dat je mag plukken. Je vindt de APV van je eigen gemeente op lokaleregelgeving.overheid.nl. Kost vijf minuten, en dan weet je het voor je hele woonplaats.
Waar kun je het beste plukken, en waar juist niet?
Naast de vraag of het mag, is er de vraag of het verstandig is. Een plant neemt op wat er in de bodem, het water en de lucht om hem heen zit. Dat maakt de plek waar iets groeit minstens zo belangrijk als de soort. De grofmazige regel: hoe verder van verkeer, landbouw, honden en oude bebouwing, hoe beter. Onderstaande secties gaan per risico dieper.
Is plukken in de berm langs een drukke weg veilig?
Liever niet, en dat heeft twee redenen. De eerste is dat bermen langs drukke wegen door decennia aan verkeer zijn belast met zware metalen, vooral lood en cadmium. Lood zat tot 1992 in Nederlandse benzine en is in de bodem nauwelijks afgebroken; het ligt er dus nog steeds. Het RIVM signaleert dat metalen zich ophopen in de bodem van stedelijk gebied, oude binnensteden, voormalige industrieterreinen en de omgeving van spoorlijnen, en dat groenten die daar groeien die metalen opnemen via de wortels of via bodemdeeltjes op het blad. Snelgroeiende bladgroenten als spinazie en sla nemen cadmium relatief snel op, en juist bladgroen is waar je bij wildplukken vaak op uit bent. Zie het RIVM-signaal over metalen in moestuinen.
De tweede reden is stof. Uitlaatgassen, remstof en bandenslijtsel slaan neer op blad. Dat spoel je grotendeels weg, maar wat via de wortel is opgenomen niet. Er circuleert in wildplukland een vuistregel van vijftig meter afstand tot een drukke weg. Die vuistregel staat in geen enkele officiële richtlijn en er is geen Nederlands onderzoek dat precies dat getal onderbouwt, maar als praktische ondergrens is hij bruikbaar: pluk niet in de eerste berm langs een provinciale weg of snelweg, en zoek een bosrand, een houtwal of een parkrand op. Het scheelt je bovendien niets aan opbrengst, want dezelfde soorten staan daar ook.
Over PFAS in bermen specifiek is nog weinig hard te zeggen. Vast staat dat PFAS breed in de Nederlandse bodem voorkomt en dat het RIVM PFAS aantreft in vrijwel alle onderzochte gewassen, met verschillen per gewas. Onderzoek dat specifiek de PFAS-belasting van wegbermen of van wilde planten in bermen in kaart brengt, is er op dit moment niet in bruikbare vorm. Wie het zekere voor het onzekere wil nemen, gebruikt bermen niet als vaste plukplek maar als toevalstreffer. Zie het PFAS-onderzoeksprogramma van het RIVM.
Waarom sla je akkerranden beter over?
Omdat gewasbeschermingsmiddelen niet netjes binnen het perceel blijven. Bij het spuiten ontstaat drift: fijne druppels die met de wind meewaaien. De Nederlandse regelgeving erkent dat expliciet en verplicht telers tot teeltvrije zones langs watergangen en tot spuittechnieken die de drift met minstens 75 procent terugbrengen, in sommige situaties 90 procent. Dat betekent dus ook dat er, zelfs bij correcte toepassing, iets buiten het perceel terechtkomt. De randen van een aardappel-, bloembollen- of maisperceel zijn daarmee de minst logische plek om brandnetels of paardenbloemen te halen. Zie de uitleg van het Informatiepunt Leefomgeving over gewasbeschermingsmiddelen bij teelt in de openlucht.
Een tweede reden om akkerranden over te slaan is dat het simpelweg andermans grond is. Een berm die tot de sloot loopt is vaak al eigendom van de boer, en een braamstruik in een perceelrand hoort daarbij. Dat is meteen de makkelijkste oplossing ook: vraag het even. De meeste boeren vinden een handvol vlierbloesem prima, en dan weet je ook meteen wanneer er gespoten is.
Hoe erg is een hondenuitlaatgebied?
Erger dan mensen denken, en niet vanwege de geur. Uitwerpselen van honden en katten kunnen eieren van de spoelworm Toxocara bevatten, en die eieren blijven lang infectieus in de bodem. Hoe wijdverbreid dat is, blijkt uit onderzoek dat het RIVM publiceerde in het Infectieziekten Bulletin: in gemiddeld 20 procent van de onderzochte zandbakken en parken in Assen, Utrecht en Den Haag werden Toxocara-eieren gevonden, en van 116 grondmonsters was 12,9 procent positief. Dat onderzoek ging over zandbakken en parken, niet specifiek over hondenuitlaatgebieden, en de eieren bleken daar vooral van de kattenspoelworm te komen. Het zegt dus niet hoe vies precies dat ene veldje bij jou om de hoek is, maar wel dat grond in de bebouwde kom vaker besmet is dan je zou denken. Besmetting bij mensen loopt onder meer via ongewassen groenten en fruit uit eigen tuin en via grondcontact. Zie het RIVM over Toxocara-infecties bij mens en dier.
Praktisch: pluk niet in officiële hondenlosloopgebieden, niet in de strook direct langs een druk wandelpad, en niet op kniehoogte langs een route waar honden lopen. Kies de tweede of derde plant vanaf het pad in plaats van de eerste. En was alles wat laag groeide grondig af.
Plek
Verstandig om te plukken?
Waarom
Bosrand en houtwal, weg van wegen
Ja
Weinig verkeer, weinig honden, veel soorten
Duinen en kwelders
Vaak ja, mits toegestaan
Schone lucht; let wel op beschermde gebieden en betredingsregels
Stadspark, midden op een grasveld
Meestal ja
Weinig hondenpoep, maar let op maaibeheer en APV
Randje langs een druk wandelpad
Nee
Hondenurine en hondenpoep, spoelwormeieren
Berm langs een provinciale weg of snelweg
Nee
Lood en cadmium in de bodem, uitlaat- en bandenstof op blad
Akkerrand en perceelrand
Nee
Drift van gewasbeschermingsmiddelen, en meestal privégrond
Oude binnenstadsgrond en voormalig industrieterrein
Nee
Ophoping van lood, cadmium en arseen in de bodem
Slootkant in weiland met vee
Alleen verhit eten
Kans op leverbot via waterplanten en nat gras
Welke giftige planten lijken op eetbare?
Hoe houd je daslook, lelietje-van-dalen en herfsttijloos uit elkaar?
Dit is de gevaarlijkste verwisseling van het Nederlandse voorjaar. Daslook groeit in vochtig loofbos in grote velden en is populair voor pesto. Lelietje-van-dalen en herfsttijloos zijn allebei giftig en hebben in het vroege voorjaar blad dat er op afstand op lijkt. Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum krijgt hier elk jaar meldingen over. Herfsttijloos is in Nederland zeldzaam en komt vooral in het zuiden voor, maar hij groeit ook in tuinen en verwildert. Lelietje-van-dalen kom je juist wel algemeen tegen, ook in dezelfde loofbossen als daslook.
Daslook in een loofbos. Let op de bladvoet: elk blad komt op zijn eigen dunne steeltje uit de grond. Bij lelietje-van-dalen omhullen twee bladeren elkaar.Foto: Rodolph, CC BY-SA 3.0
Kenmerk
Daslook (eetbaar)
Lelietje-van-dalen (giftig)
Herfsttijloos (giftig)
Geur bij fijnwrijven
Duidelijk knoflook
Geen knoflookgeur, groenig
Geen knoflookgeur
Bladstand
Elk blad op een eigen dun steeltje uit de grond
Twee bladeren omhullen elkaar aan de voet
Bladeren komen uit een rozet, geen steeltje
Bladvorm
Zacht, mat, breed lancetvormig
Steviger, glanzender aan de bovenkant
Breder, dikker, stijver, meestal glanzend
Nerven
Evenwijdig, blad vrij dun
Evenwijdig, blad steviger
Evenwijdig, blad vlezig
Bloei
Witte, stervormige bloemen in een scherm, april en mei
Witte klokjes aan een gebogen steel, mei
Roze tot lila krokusachtige bloem in de herfst, zonder blad
Gif
Geen
Hartglycosiden
Colchicine
De geurtest werkt, maar met een belangrijk voorbehoud. Wrijf één blad fijn met schone handen en ruik. Ruik je knoflook, dan is dát blad daslook. Heb je eenmaal daslook aangeraakt, dan ruikt alles daarna naar knoflook, ook het lelietje-van-dalen dat je vijf tellen later plukt. Het NVIC benadrukt dan ook dat geur alleen onvoldoende zekerheid geeft. Pluk daarom blad voor blad in plaats van een hand vol tegelijk, of controleer je hele oogst nog eens thuis op de vaste bladsteeltjes van daslook.
Waarom je dit serieus neemt: vergiftiging met lelietje-van-dalen begint volgens het NVIC meestal met misselijkheid en herhaald braken, en kan bij grotere hoeveelheden leiden tot een vertraagde hartslag en geleidingsstoornissen van het hart. Herfsttijloos bevat colchicine, dat de celdeling remt. Dat geeft eerst heftige maag- en darmklachten en kan daarna leiden tot onderdrukking van het beenmerg. Zie het NVIC over verwisseling met daslook.
Hoe herken je gevlekte scheerling en hondspeterselie tussen het fluitenkruid?
De schermbloemenfamilie is de lastigste familie van Nederland. Er zitten prima eetbare soorten in, zoals wilde peen en pastinaak, en er zitten dodelijk giftige soorten in, zoals gevlekte scheerling, waterscheerling en hondspeterselie. Ze hebben allemaal dezelfde witte schermen en veerdelig blad. Fluitenkruid, dat in april en mei hele bermen wit kleurt, is de vroegste bloeier van het stel en daardoor in die periode nog redelijk te onderscheiden. Later in het jaar wordt de kans op verwarring aanzienlijk groter, omdat de andere schermbloemigen dan óók bloeien.
Kenmerk
Fluitenkruid
Gevlekte scheerling (dodelijk giftig)
Hondspeterselie (zeer giftig)
Stengel
Gegroefd, behaard, hol, geen vlekken
Kaal, wat berijpt, onderaan bruinrode vlekken
Kaal, glad, vaak roodachtig aangelopen, geen duidelijke vlekken
Hoogte
Tot ongeveer 1,5 meter
Tot ongeveer 2 meter
Meestal tot ongeveer 1,2 meter
Geur bij kneuzen
Kruidig, wat wortelachtig
Onaangenaam, wordt omschreven als muizengeur
Onaangenaam, scherp
Blad
Twee- tot drievoudig geveerd, dof en zacht behaard
Meervoudig geveerd, kaal, met bladscheden
Twee- tot drievoudig geveerd, glanzend, kaal
Kenmerkend detail
Vroegste bloeier, bloeit al in april
Bruinrode stengelvlekken
Drie tot vier lange, omlaag hangende omwindseltjes onder elk schermpje
Bloeitijd
April en mei
Mei tot juli
Juni tot oktober
De omlaag hangende omwindseltjes onder de schermpjes van hondspeterselie zijn het bruikbaarste veldkenmerk uit deze tabel: ze hangen als kleine baardjes onder elk deelscherm en geen van de eetbare soorten heeft dat. Gevlekte scheerling verraadt zich door de bruinrode vlekken onderaan de stengel en de muizengeur. Beide soorten groeien graag op voedselrijke, omgewerkte grond en zijn juist in wegbermen en op ruderale terreinen algemeen. Zie Flora van Nederland over gevlekte scheerling.
Het sap van berenklauw bevat furocumarines. Die maken de huid overgevoelig voor zonlicht. Krijg je sap op je huid en komt daar daarna zon bij, dan kan er na een tot twee dagen roodheid, zwelling en soms een flinke blaar ontstaan. Reuzenberenklauw is hierin het beruchtst, maar ook gewone berenklauw kan blaren geven; de reactie is meestal wel milder. Gewone berenklauw is bovendien een soort die als wildpluk gebruikt wordt, waardoor mensen er juist mee in aanraking komen.
Praktische regel: draag lange mouwen en handschoenen als je berenklauw oogst of erlangs struint, snijd nooit op een zonnige dag met blote armen, en spoel sap dat op je huid komt direct af en houd die plek uit de zon. Krijg je blaren, ga dan naar de huisarts. Onderscheid tussen de twee soorten: reuzenberenklauw wordt tot ongeveer vijf meter hoog en heeft duidelijk roodgevlekte stengels, gewone berenklauw blijft rond de twee meter en heeft die vlekken niet.
Jacobskruiskruid bevat pyrrolizidine alkaloïden. Het Voedingscentrum omschrijft die stoffen als kankerverwekkend en in hoge hoeveelheden schadelijk voor de lever. Voor wildplukkers is jacobskruiskruid vooral een probleem als verstekeling: hij groeit in dezelfde bermen en ruigten als de soorten waar je wél voor komt, en jonge rozetten kunnen tussen ander bladgroen belanden. De rozetten hebben diep ingesneden, wat rafelige bladeren met een donkergroene bovenkant; de bloeiende plant is onmiskenbaar met zijn platte schermen gele composietbloemen.
De nuance erbij: het Voedingscentrum stelt dat de kans klein is dat je via een gevarieerde voeding zoveel pyrrolizidine alkaloïden binnenkrijgt dat je er acuut ziek van wordt. Het risico zit in eenzijdig gebruik, bijvoorbeeld dagelijks veel kruidenthee van dezelfde bron. Dat is een reële waarschuwing voor wie zelf grote hoeveelheden wilde kruidenthee droogt. Sorteer je oogst dus altijd blad voor blad na, en meng geen onbekende rozetten mee. Zie het Voedingscentrum over pyrrolizidine alkaloïden.
Waar moet je op letten bij gevlekte aronskelk?
Gevlekte aronskelk staat in hetzelfde vochtige loofbos als daslook en speenkruid, en komt in het vroege voorjaar tegelijk op. Alle delen zijn giftig door calciumoxalaatkristallen: die geven prikkeling en branderigheid van mond, tong en keel, zwelling en maagklachten. In de nazomer verschijnen de opvallende oranjerode bessen aan een rechtopstaande kolf. Die zijn eveneens giftig en zien er voor kinderen aantrekkelijk uit.
Herkennen is gelukkig niet moeilijk als je erop let: gevlekte aronskelk heeft grote, pijl- of speervormige bladeren met een netvormige nervatuur, vaak met donkere vlekken, en die bladvorm heeft geen enkele eetbare voorjaarsplant in Nederland. Verwarring ontstaat vooral bij héél jong blad, dat nog opgerold uit de grond komt en dan wat op zuring kan lijken. Wacht in het voorjaar dus tot het blad zich heeft ontvouwd voordat je zuring oogst uit een bos waar aronskelk staat.
Vlekken op de stengel, muizengeur, hangende omwindseltjes
Veldzuring en klaverzuring
Gevlekte aronskelk (jong blad)
Aronskelk heeft pijlvormig blad met netnerven, geen zure smaak
Wilde bladgroente uit ruigte en berm
Jacobskruiskruid
Diep ingesneden, rafelige rozetbladeren; sorteer blad voor blad
Vlierbes
Geen giftige dubbelganger, het risico zit in de bereiding
Rauwe en onrijpe bessen geven maag- en darmklachten, altijd verhitten
Wilde paddenstoelen
Vrijwel alles
Doe dit niet zonder gedegen mycologische kennis
Hoe gevaarlijk is de vossenlintworm echt?
Dit is het onderwerp waar de meeste onzin over rondgaat, in beide richtingen. De feiten van het RIVM: de vossenlintworm komt in Nederland alleen voor bij vossen in Limburg en Oost-Groningen, en de kans om er in Nederland ziek van te worden is klein. Tegelijk is de ziekte die hij kan veroorzaken, alveolaire echinokokkose, ernstig en langdurig. Klein risico, grote gevolgen: daar moet je een verstandige middenweg in vinden in plaats van te kiezen tussen paniek en schouderophalen.
In Nederland komt de vossenlintworm alleen voor bij vossen in Limburg en Oost-Groningen. De kans om ziek te worden door de vossenlintworm is in Nederland klein.
RIVM, Vragen en antwoorden vossenlintworm
De besmettingsroute is dat je eitjes uit vossenuitwerpselen binnenkrijgt. Fruit en groente die laag bij de grond hangen of op de grond vallen, kunnen daarmee in aanraking zijn geweest. Het RIVM adviseert daarom: spoel zelfgeplukte bosvruchten, paddenstoelen, noten, valfruit en groenten altijd goed af, en verhit ze voor je ze eet. Verhitten werkt: bij koken gaan de eitjes dood. Invriezen werkt níet bij normale diepvriestemperaturen; de eitjes gaan pas dood bij ongeveer min 80 graden. Het Voedingscentrum voegt daaraan toe dat als je het fruit tot jam verwerkt, alle eitjes door het koken dood zijn.
En die veelgehoorde regel dat je alleen boven een meter hoogte mag plukken? Die staat niet zo in de adviezen van het RIVM of het Voedingscentrum. Het is een praktische vertaling van een echt principe, namelijk dat de kans op contact met vossenuitwerpselen groter is bij laag hangend of gevallen fruit. Als vuistregel is hij prima, maar hij vervangt het echte advies niet. Het echte advies is: wassen, en verhitten wat laag groeide. Dat advies dekt bovendien meteen de spoelworm van honden en de leverbot af, en dat zijn risico's die in heel Nederland spelen in plaats van in twee regio's.
Herkennen is geen kwestie van een plaatje matchen maar van kenmerken afvinken. Elke soort heeft een set kenmerken die allemaal moeten kloppen. Klopt er één niet, dan heb je iets anders in je hand, hoe goed de rest ook past. Dat is de kern van determineren en het is precies waarin een foto tekortschiet: een foto toont één moment, één exemplaar, één hoek.
Begin daarom bij de familie in plaats van bij de soort. Als je de lipbloemenfamilie leert (vierkante stengel, tegenoverstaande bladeren, lipvormige bloem, vaak geurend), herken je in één klap munt, hondsdraf, brandnetel-achtige dovenetels, marjolein en tijm als groep. Dat werkt ook andersom als veiligheidsslot: als je weet dat de schermbloemenfamilie riskant is, kun je bij elk wit scherm meteen de alarmbel laten rinkelen.
Blad: vorm, rand (gaaf, gezaagd, gelobd), behaard of kaal, stand aan de stengel (tegenover elkaar, verspreid, in kransen).
Stengel: rond of kantig, hol of massief, behaard of kaal, gevlekt of niet.
Bloem: kleur, aantal kroonbladen, symmetrie, bloeiwijze (scherm, tros, aar, hoofdje).
Geur: kneus een klein stukje blad tussen je vingers, met schone handen.
Wortel of knol: alleen bekijken als je zeker weet dat je mag oogsten, want uitsteken doodt de plant.
Standplaats: nat of droog, zon of schaduw, voedselrijk of arm, bos of berm. Een soort die daar niet hoort te groeien, groeit daar meestal ook niet.
Seizoen: klopt het moment van bloei, vrucht of blad met de soort die je denkt te zien?
Is een plantenapp genoeg om iets te durven eten?
Nee. Herkenningsapps zijn nuttig om een richting te krijgen, maar ze werken op beeldherkenning en geven een waarschijnlijkheid, geen zekerheid. Ze verwarren juist de soorten die op elkaar lijken, en dat zijn precies de soorten waar het bij wildplukken misgaat. Gebruik een app dus als eerste gok, en controleer daarna met een flora of een gedegen soortbeschrijving of álle kenmerken kloppen. Bij twijfel is het antwoord altijd hetzelfde: laten staan. De module determineren van Flora van Nederland is een goede gratis manier om het echte determineren onder de knie te krijgen.
Kun je op geur vertrouwen?
Geur is een sterk hulpmiddel en een zwak bewijs. Bij daslook is het knoflookaroma zo uitgesproken dat het als bevestiging werkt, en look-zonder-look en kraailook geven hetzelfde signaal. Maar geur bevestigt alleen het blad dat je nét hebt gekneusd, en je vingers blijven daarna ruiken. Bij gevlekte scheerling is de geur juist een waarschuwingssignaal (muizen, muizenurine), maar niet iedereen ruikt dat even goed en je moet er dan al erg dichtbij zitten. Gebruik geur als één van je kenmerken, nooit als het enige.
Met vijf soorten, niet met vijftig. De grootste fout van beginners is breed beginnen: een gidsje kopen, twintig soorten aanstrepen en dan in het veld alles half herkennen. Veel effectiever is om vijf soorten te kiezen die algemeen zijn, moeilijk te verwarren en het hele seizoen beschikbaar. Die leer je zo goed kennen dat je ze vanaf tien meter afstand ziet. Volgend jaar komen er vijf bij. Na drie jaar heb je een repertoire waar je echt mee kookt.
Wat zijn de makkelijkste soorten voor beginners?
Soort
Waarom makkelijk
Wat je plukt
Beste periode
Brandnetel
Onmiskenbaar, groeit overal, geen giftige dubbelganger
Jonge toppen, bovenste vier blaadjes
Maart tot mei, en na maaien opnieuw
Paardenbloem
Iedereen kent hem al
Blad, bloemhoofdjes, knoppen
Maart tot oktober
Braam
Vrucht is onmiskenbaar, blad voor thee
Rijpe bramen, jong blad
Blad in het voorjaar, vrucht in augustus en september
Vlier
Grote schermen, geur is kenmerkend
Bloesemschermen, later de bessen
Bloesem in mei en juni, bes in augustus en september
Look-zonder-look
Knoflookgeur, hartvormig gekarteld blad
Blad en later de zaadhauwtjes
Maart tot juni
Zevenblad
Berucht tuinonkruid, dus overal
Jong, glanzend blad voor het bloeit
Maart tot mei
Grote weegbree
Karakteristieke boognerven in het blad
Jong blad, zaadaren
April tot september
Rozenbottel
Vrucht van de hondsroos, onmiskenbaar
Rijpe bottels na de eerste nachtvorst
Oktober tot december
Twee kanttekeningen bij die lijst. Zevenblad staat erop omdat het een schermbloemige is die je juist wél veilig kunt leren: je oogst hem in het vroege voorjaar als hij nog niet bloeit, aan het driedelige blad met de gegroefde, driehoekige bladsteel. Precies dat vroege stadium, ver voor de bloei, houdt hem uit de buurt van zijn giftige familieleden. En vlierbessen eet je nooit rauw; ze moeten verhit worden, anders krijg je maag- en darmklachten.
Dauwbraam, herkenbaar aan het blauwige waslaagje over de vrucht. Een braam is voor de meeste mensen de eerste wildpluk die ze bewust doen.Foto: Ivar Leidus (Wikimedia-gebruiker: Iifar), CC BY-SA 4.0
Een rieten mandje of een platte doos. Plastic zakken laten blad binnen een uur verleppen en broeien.
Papieren zakken of een doosje voor kwetsbare dingen als bloesem en bessen.
Een klein mes of een schaartje. Snijden geeft minder schade dan trekken.
Handschoenen voor brandnetel en berenklauw.
Een flora of een goede soortbeschrijving op je telefoon, offline beschikbaar.
Water om onderweg je handen af te spoelen, zeker na berenklauw of daslook.
Een plek in je hoofd waar je die dag níet plukt, zodat je jezelf dwingt te kiezen.
Hoeveel mag je meenemen?
Staatsbosbeheer hanteert als richtlijn ongeveer een champignonbakje van 250 gram per persoon, voor eigen gebruik. Dat is een prima praktische bovengrens, ook op plekken waar die richtlijn formeel niet geldt. Daarnaast circuleert onder wildplukkers de vuistregel dat je hooguit een tiende neemt van wat er op een plek staat, en nooit van een plek waar maar een paar exemplaren groeien. Beide regels komen op hetzelfde neer: je oogst mag niet zichtbaar zijn als je een halfuur later terugloopt. En de eerlijkste maat is nog altijd: neem mee wat je deze week echt opeet.
Wat valt er per seizoen te plukken?
Wildplukken volgt het jaar strakker dan welke andere manier van koken ook. Het voorjaar is blad, de zomer is bloesem en kruid, de nazomer en de herfst zijn vrucht en noot, en de winter is wortel, schors en de paar taaie groenblijvers. Onderstaande tabel geeft het ritme in grote lijnen; per soort kan het een paar weken schuiven met het weer en met de regio.
Laat ruim hangen voor vogels en zoogdieren die de winter in moeten. Verhit vlierbes altijd.
Late herfst, november
Bottels, wortels, paddenstoelen
Rozenbottel na de eerste vorst, aardpeer, pastinaak, judasoor
Wortels oogsten mag alleen met toestemming van de eigenaar; je doodt de plant.
Winter, december tot februari
Weinig, maar niet niets
Winterpostelein, vogelmuur, judasoor, grove den en fijnspar voor thee, gedroogde voorraad
Laat wintervoedsel voor dieren staan. Dit is het seizoen om te leren en te lezen.
Wat pluk je in de lente?
De lente is het rijkste seizoen voor blad. Zodra de bodemtemperatuur stijgt schieten brandnetel, zevenblad, vogelmuur en kleefkruid tegelijk op, en die vier staan vaak in dezelfde ruigte. Jong blad is malser en milder dan later in het jaar; brandnetel wordt na de bloei taai en korrelig en gebruik je dan niet meer. Daslook loopt van maart tot in mei en verdwijnt daarna helemaal. Dit is ook het seizoen waarin de meeste vergissingen worden gemaakt, juist omdat alles nog klein is en bloemen ontbreken. Neem in maart en april dus extra tijd per plant.
Vlierbloesem in mei. Pluk hele schermen op een droge dag, want de geur zit in het stuifmeel en dat spoel je er met wassen zo af.Foto: H. Zell, CC BY-SA 3.0
Wat pluk je in de zomer?
De zomer draait om bloesem en aroma. Vlierbloesem in mei en juni, lindebloesem in juni en juli, en daarna de echte kruiden: wilde marjolein op droge, kalkrijke hellingen, wilde tijm in de duinen, watermunt langs slootkanten. Kruiden bevatten de meeste vluchtige olie vlak voor de bloei, dus dan oogst je ze. Pluk op een droge dag, laat de oogst niet in de zon in de auto staan en verwerk hem dezelfde dag. In augustus komen de eerste bramen, aalbessen en bosbessen los.
Wat pluk je in de herfst?
De herfst is het seizoen waar de meeste mensen wildplukken mee associëren: bramen, vlierbessen, hazelnoten, beukennootjes, tamme kastanjes, eikels, rozenbottels en sleedoorns. Het is ook het seizoen waarin terugnemen de meeste impact heeft, want dit is precies de wintervoorraad van merels, lijsters, eekhoorns, muizen en dassen. Staatsbosbeheer vraagt expliciet om altijd wat vruchten, eikels en paddenstoelen te laten staan voor de dieren die ervan eten. Neem dus per struik een deel en loop door in plaats van één struik leeg te halen.
Rozenbottels, de vrucht van de hondsroos. Na de eerste nachtvorst zijn ze zacht en zoet, en dat is precies het moment.Foto: T. Kebert, CC BY-SA 4.0
Valt er in de winter nog iets te halen?
Minder, maar niet niks. Winterpostelein en vogelmuur blijven bij een zachte winter gewoon doorgroeien. Judasoor zit het hele koude seizoen op dood vlierhout. Naalden van grove den en fijnspar geven een frisse thee, en jonge dennentoppen zijn er pas in het late voorjaar. Verder is de winter vooral het seizoen van je voorraad: gedroogde kruiden, ingevroren blad, siroop en jam van de zomer. Het is ook het beste moment om te leren. Bomen en struiken zijn in de winter aan twijgen, knoppen en schors goed te herkennen, en die kennis betaalt zich in het voorjaar terug.
Spoel alles af onder stromend water, ook als het er schoon uitziet. Het RIVM adviseert dat expliciet voor zelfgeplukte bosvruchten, paddenstoelen, noten, valfruit en groenten. Blad leg je in een ruime kom koud water, roer je door en schep je eruit in plaats van het water eraf te gieten: zand en insecten blijven dan op de bodem achter. Bloesem was je niet, want dan spoel je het aroma en de stuifmeel weg. Schud een bloesemscherm goed uit boven een krant, laat het een halfuur op een doek liggen zodat insecten kunnen weglopen, en controleer visueel. Alles wat laag bij de grond groeide of op de grond lag, verhit je daarnaast.
Hoe lang blijft een oogst goed?
Korter dan je denkt. Wild blad heeft geen koelketen achter de rug en gaat sneller kapot dan supermarktgroente. Reken op één tot twee dagen voor jong blad in een afgesloten bak met een vochtig doekje in de koelkast. Bloesem verwerk je dezelfde dag, want het aroma verdwijnt binnen een etmaal en het begint te broeien. Bessen houden het twee tot drie dagen als je ze ongewassen en droog bewaart en pas vlak voor gebruik wast. Noten drogen eerst een week op een droge, luchtige plek en gaan daarna maanden mee.
Hoe droog, vries en fermenteer je wilde planten?
Methode
Waarvoor geschikt
Hoe je het doet
Houdbaarheid
Drogen
Kruiden, blad voor thee, bloesem, paddenstoelen
Dun uitspreiden op een rek of horde, donker, luchtig, onder de 40 graden. Ovendeur op een kier of een droogoven.
Zes tot twaalf maanden in een luchtdichte pot, donker bewaard
Blancheren en invriezen
Bladgroente als brandnetel en zevenblad
Dertig tot zestig seconden in kokend water, direct in ijswater, uitknijpen, in porties invriezen
Zes tot twaalf maanden
Rauw invriezen
Bessen, bloesem in ijsblokjes
Op een bakplaat losvriezen en daarna in een zak, zodat ze niet aan elkaar klonteren
Zes tot twaalf maanden
Siroop of gelei
Bloesem, bessen, vruchten
Trekken of koken, zeven, met suiker inkoken, heet in schone flessen of potten
Ongeopend een jaar, geopend enkele weken in de koelkast
Melkzuurfermentatie
Stevig blad, stengels, knoppen
Twee procent zout op het gewicht, onder pekel houden, op kamertemperatuur laten werken
Maanden in de koelkast
In azijn of zout
Knoppen als kappertjes, kruidenzout
Op zuur zetten of mengen met grof zout in laagjes
Maanden tot een jaar
Een belangrijke opmerking bij invriezen: dat is een bewaarmethode, geen ontsmettingsmethode. Volgens het RIVM gaan eitjes van de vossenlintworm pas dood bij ongeveer min 80 graden, en dat haalt geen huishoudvriezer. Wil je risico wegnemen, dan is verhitten de aangewezen route, en dat is meteen de reden dat de meeste klassieke wildplukrecepten inkokende recepten zijn: siroop, jam, gelei, compote en soep.
Wildplukken is per definitie oogsten uit een systeem dat niet voor jou is aangelegd. Alles wat jij meeneemt, at iets anders niet en zaaide zich niet uit. Bij één persoon met een handvol maakt dat niets uit. Bij honderd mensen op dezelfde bekende daslookvindplaats wel. De regels van terreinbeheerders komen dan ook niet uit bureaucratie voort maar uit wat ze in hun gebieden zien gebeuren.
Neem hooguit een tiende van wat er staat, en niets van een plek waar maar een paar exemplaren groeien.
Verspreid je oogst over meerdere planten en meerdere struiken in plaats van er één leeg te halen.
Trek niets uit de grond tenzij je zeker weet dat het mag en dat de soort daar massaal staat. Blad groeit terug, een wortel niet.
Blijf op de paden waar dat verplicht is. Vertrapping doet vaak meer schade dan het plukken zelf.
Laat vrucht, noot en zaad in het najaar ruim hangen. Dat is de wintervoorraad van vogels en zoogdieren.
Laat paddenstoelen staan. Ze zijn het vruchtlichaam van een ondergronds netwerk en bovendien lastig veilig te herkennen.
Ga niet naar de plek waar je vorige week ook was. Wissel af, dan herstelt alles zich.
Deel vindplaatsen niet met exacte locatie op sociale media. Eén virale post kan een populatie slopen.
Bramen zijn hier een goed voorbeeld van. Een braamstruik lijkt onuitputtelijk, maar de bessen zijn in september en oktober voedsel voor merels, zanglijsters, spreeuwen, dassen en vossen, precies in de periode dat die dieren vet moeten opbouwen. Hetzelfde geldt voor lijsterbes, vlierbes, meidoorn en sleedoorn. Wie in de herfst plukt, concurreert dus echt met iets. De oplossing is niet om te stoppen, maar om per struik een deel te nemen en door te lopen.
Denk aan een ander, dier en mens. Laat altijd wat vruchten hangen, eikels liggen, paddenstoelen staan voor de dieren die ervan eten.
Wildplukcode van de KNNV, Vereniging voor Veldbiologie, ook onderschreven door Staatsbosbeheer
Tot slot een gedachte die het makkelijker maakt om je in te houden. Wildplukken gaat niet om volume. Een handvol daslook maakt een pesto voor vier personen, een schermpje vlierbloesem maakt een liter siroop, tien rozenbottels maken een potje moes. De hoeveelheden die je nodig hebt zijn zo klein dat ze in het systeem geen deuk maken, zolang je je eraan houdt. De verleiding om de emmer vol te doen komt niet uit honger voort maar uit hebberigheid, en dat is precies het verschil tussen een plukker en een stroper.
Veelgestelde vragen over wildplukken
Is wildplukken in Nederland verboden?
Er is geen wet die wildplukken als zodanig verbiedt, maar er is ook geen recht om overal te plukken. De grondeigenaar bepaalt. Staatsbosbeheer staat kleine hoeveelheden voor eigen gebruik toe, Natuurmonumenten verbiedt wildpluk in zijn gebieden en veel gemeenten verbieden via hun APV het wegnemen van planten uit openbaar groen. Beschermde soorten mag je nergens plukken.
Hoeveel mag ik plukken bij Staatsbosbeheer?
Staatsbosbeheer hanteert als richtlijn ongeveer een champignonbakje van 250 gram per persoon, voor eigen gebruik en op eigen risico. Grootschalig of commercieel plukken beschouwen zij als diefstal of beschadiging van hun terrein.
Mag ik wildplukken in gebieden van Natuurmonumenten?
Nee. Natuurmonumenten staat wildpluk in zijn gebieden niet toe en je riskeert een boete. Hun redenering is dat vruchten, zaden, noten en paddenstoelen voedsel zijn voor dieren, en dat struinen buiten de paden planten vertrapt en dieren verstoort.
Wat betekent het bordje "verboden toegang, art. 461 Sr"?
Dat de eigenaar van die grond de toegang zichtbaar verboden heeft. Artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht stelt straf op het je bevinden op andermans grond waarvan de toegang op een blijkbare wijze is verboden. Staat dat bord er, dan hoor je er niet te lopen, laat staan te plukken.
Krijg ik echt een boete als ik bramen pluk?
In de praktijk vrijwel nooit voor een handvol voor eigen gebruik. Formeel valt het wegnemen van te velde staande vruchten onder stroperij, artikel 314 van het Wetboek van Strafrecht, met een maximum van een maand gevangenisstraf of een geldboete van de tweede categorie. Boswachters treden vooral op bij grote hoeveelheden, bij commerciële pluk en bij mensen die buiten de paden lopen.
Kun je brandnetels rauw eten?
Beter niet. De brandharen prikken en geven een branderig gevoel in mond en keel. Door blancheren, koken, drogen of stevig kneuzen verliezen de haren hun werking. Voor soep, pesto, thee of chips is één keer kort verhitten voldoende.
Hoe onderscheid ik daslook van lelietje-van-dalen?
Wrijf één blad fijn met schone handen: daslook ruikt duidelijk naar knoflook, lelietje-van-dalen niet. Kijk daarnaast naar de bladvoet. Bij daslook komt elk blad op een eigen dun steeltje uit de grond, bij lelietje-van-dalen omhullen twee bladeren elkaar aan de voet. Gebruik geur nooit als enige bewijs, want je vingers blijven na het eerste daslookblad naar knoflook ruiken.
Juridisch hangt het af van wie de berm beheert, en dat kan de gemeente, de provincie, het waterschap, Rijkswaterstaat of een boer zijn. Verstandig is het bijna nooit langs een drukke weg, vanwege lood en cadmium in de bodem en uitlaat- en bandenstof op het blad. Een rustige plattelandsberm ver van verkeer is een ander verhaal dan een snelwegberm.
Moet ik bang zijn voor de vossenlintworm?
Bang niet, voorzichtig wel. Het RIVM meldt dat de vossenlintworm in Nederland alleen voorkomt bij vossen in Limburg en Oost-Groningen en dat de kans om er ziek van te worden klein is. Het advies is om zelfgeplukte bosvruchten, paddenstoelen, noten en valfruit altijd goed af te spoelen en te verhitten. Invriezen helpt niet, want de eitjes gaan pas dood bij ongeveer min 80 graden.
Moet ik echt boven een meter hoogte plukken?
Dat is een praktische vuistregel die je vaak hoort, maar hij staat niet zo in de officiële adviezen van het RIVM of het Voedingscentrum. Het achterliggende principe klopt wel: laag hangend en gevallen fruit heeft meer kans op contact met uitwerpselen van vossen en honden. Het officiële advies is goed afspoelen en verhitten wat laag groeide.
Kan ik wilde paddenstoelen veilig plukken?
Niet zonder gedegen mycologische kennis. Het Voedingscentrum raadt het plukken en eten van wilde paddenstoelen af omdat giftige soorten soms nauwelijks van eetbare te onderscheiden zijn, ook voor kenners. De Nederlandse Mycologische Vereniging promoot paddenstoelenpluk evenmin. Daarbij is het op veel plekken verboden, onder meer via gemeentelijke verordeningen.
Kun je vlierbessen rauw eten?
Nee. Rauwe vlierbessen geven maag- en darmklachten. Verhit ze altijd, bijvoorbeeld tot siroop, gelei, compote of soep. Dat lost meteen ook de vraag over de vossenlintworm op, want koken doodt eventuele eitjes.
Is wildplukken duurzaam?
Zolang je je aan de vuistregels houdt wel: hooguit een tiende van wat er staat, verspreid over meerdere planten, en nooit van plekken waar een soort schaars is. Het probleem ontstaat bij schaal, dus bij drukbezochte vindplaatsen en bij commerciële pluk. In het najaar telt bovendien dat vruchten en noten de wintervoorraad van vogels en zoogdieren zijn.
Mag ik planten uit de grond trekken om de wortel te gebruiken?
Alleen met toestemming van de grondeigenaar, en zelfs dan met terughoudendheid. Blad groeit terug, een wortel niet. Voor wortels van bijvoorbeeld aardpeer, pastinaak of klit ben je beter af met eigen tuin, een volkstuin of een plek waar de soort massaal staat en de beheerder er expliciet toestemming voor geeft.
Hoe weet ik of een plant beschermd is?
Via het Nederlands Soortenregister van Naturalis en de informatie van het Informatiepunt Leefomgeving. Sinds 1 januari 2024 staat de soortenbescherming in de Omgevingswet, met het Besluit activiteiten leefomgeving als uitwerking. Van de ongeveer 36.000 wilde soorten in Nederland vallen er zo'n 500 onder die bescherming.
Wat doe ik als ik iets verkeerds heb gegeten?
Bel direct je huisarts of buiten kantooruren de huisartsenpost, en bij ernstige klachten 112. Neem een restant van de plant of een foto mee, dat helpt bij de determinatie. Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum wordt door artsen geraadpleegd en is niet bedoeld als publiekstelefoon.
Kan ik waterkers uit een sloot eten?
Niet rauw als er in de omgeving vee graast. Waterplanten kunnen larven van de leverbot dragen; het RIVM noemt rauwe waterkers expliciet als besmettingsroute en stelt dat wassen alleen niet voldoende is. Kook het door, of laat het staan. Kauw om dezelfde reden ook niet op grassprietjes of zuring in weilanden met vee.
Mag ik wildplukken om te verkopen?
Nee. Alle terreinbeheerders die kleine hoeveelheden gedogen, maken een uitdrukkelijk onderscheid met commerciële pluk. Staatsbosbeheer beschouwt grootschalig of commercieel plukken als diefstal of beschadiging van het terrein. Wil je wild geoogste producten verkopen, dan heb je afspraken met de eigenaar nodig, plus je verplichtingen rond voedselveiligheid.
Kun je het hele jaar door wildplukken?
Ja, maar het aanbod verschuift sterk. Het voorjaar geeft jong blad, de late lente bloesem, de zomer kruiden en de eerste vruchten, de herfst vrucht en noot, en de winter een handvol groenblijvers zoals winterpostelein en vogelmuur plus je eigen gedroogde en ingevroren voorraad.
Wat is de belangrijkste regel voor beginners?
Eet alleen wat je met honderd procent zekerheid hebt herkend, en begin met vijf soorten in plaats van vijftig. Laat de hele schermbloemenfamilie het eerste jaar staan, want dat is de enige Nederlandse plantenfamilie waarin een vergissing dodelijk kan aflopen.
Wetboek van Strafrecht, via Wetboek.org. Nagekeken op .