Pluknet
Fruit

Wilde appel

Malus sylvestris

Vruchten rijpen in de herfst (september–november).

De wilde appel is een kleine, vaak doornige boom met kleine, flink zure appeltjes. Rauw zijn ze te zuur om van te smullen, maar gekookt zijn ze goud waard: door het hoge pectinegehalte maken ze prachtige gelei en helpen ze andere jam te laten geleren.

Herkennen

  • Kleine boom met dichte, ronde kroon; twijgen eindigen bij de echte wilde vorm vaak in doorns.
  • Bladeren ovaal en gezaagd, als ze ouder zijn vrijwel kaal (jonge onderkant licht behaard).
  • Wit-roze bloesem in het voorjaar; kleine ronde vruchten van 2–4 cm, geelgroen, soms met rode blos, erg zuur.
  • Onderscheid met verwilderde eetappel (Malus domestica): die mist doorns en heeft juist sterk behaarde twijgen, bladeren en kelk, en grotere vruchten. Veel 'wilde' bomen zijn kruisingen — maar allebei zijn eetbaar, dus het risico is klein.

Wat je kunt eten

  • De vruchten (het lekkerst verwerkt).

In de keuken

  • Rauw erg zuur en hard; in kleine hoeveelheid te proeven, maar niet om vol van te eten.
  • Gekookt met suiker: gelei (veel pectine), appelmoes, of als zuurtje in andere jam.
  • Ook geschikt voor verjus (zuur sap), cider of Calvados.

Let hierop

  • De vruchten zijn rauw erg zuur en wrang; verwerk ze liever.
  • De pitten bevatten, net als bij alle appels, blauwzuurverbindingen (amygdaline): eet geen fijngekauwde pitten in grote hoeveelheden en spuug ze uit.
  • Mijd bespoten bomen langs akkers en drukke wegen.

Regels en respect

  • Pluk met mate en laat vruchten hangen voor vogels en insecten.
  • Vraag toestemming bij bomen op particulier terrein.

Meer lezen

Deze gids helpt bij herkennen, maar vervangt geen gids van vlees en bloed. Twijfel je ook maar een beetje? Niet eten.